bb
                      
MIDDELEEUWS KOKEN
          
vvvvvvvv
 
   MIDDELEEUWS KOKEN


5 Middeleeuwse recepten




      1. Een vegetarische taart voor Ember-day         (hoofdgerecht)
      2. Geroosterde gevulde bruine broodjes,          (hoofdgerecht)
 3. Gesmoorde mosselen                       (bij- of voorgerecht)
                   4. Aan het spit geroosterd vlees met Egordouce-saus    (hoofdgerecht)
5. Een salade

--------------------------------------------------------------------------------
1
Een vegetarische taart voor Ember-day
    6 personen


    EMBERDAY was een van de vele dagen dat het eten van vlees verboden was
    (zuivelproducten, eieren en vis waren wel toegestaan)

    250 gr. volkoren brood of volkoren deeg
    (gemaakt van 150 gr. volkorenmeel, 40 gr. boter en een beetje water)
    40 gr. boter
    150 gr. uien, grof gesneden
    12 verse fijngehakte salieblaadjes, of 1 eetlepel gedroogde salie
    2 x een handvol verse peterselie, grofgehakt
    75 gr. geraspte belegen kaas
    3 eieren
    zout, peper, 1/2 theelepel kaneelpoeder en evenveel gember
    180 ml. melk
    40 gr. rozijnen

 
   
Roer de ingrediënten goed door elkaar en doe het mengsel in een taartvorm (18-20 cm.)
    Dek de taartvorm af.

    Smelt de boter in een pan en smoor de uien met de salie an de peterselie tot
    ze net gaar zijn. Voeg de kaas, eieren, kruiden, rozijnen en melk toe en roer
    alles goed door elkaar.
   
    Voeg de rozijnen toe en doe het mengsel in de bakvorm.
    Bak het geheel op een temperatuur van ca. 180 C.
     Baktijd ca. 20 minuten of zodra de taart gerezen en licht gebruind is.
    Warm of koud serveren (6 personen).

   
---------------------------------------------------------------------------------
2
Geroosterde gevulde bruine broodjes

 Voor 6 personen als voorgerecht of voor 3 personen als hoofdgerecht


    Dit werd door de gegoede burgers als feestmaaltijd gegeten
   
N.B. Wel kleine porties voor een hoofdgerecht!

    3 volkoren bruine broodjes, gahalveerd en kruim verwijderd
    100 gr. paddestoelen (champignons), grof gesneden
    100 gr. gekookte en goed uitgelekte spinazie, grofgehakt
    50 gr. rozijnen
    zout, peper, kaneelpoeder, evt. kuidnagel
    1 of 2 eieren

    Doe de gehalveerde broodjes ongeveer 10 min. in een matig warme oven
    tot ze lichtbruin en knapperig zijn.

    Smelt de boter in een pan en bak de paddestoelen enkele minuten zachtjes.
    Voeg spinazie en de rozijnen toe en bak nog enkele minuten tot vrijwel alle
    boter opgenomen is door de groente. Maak het op smaak met zout, peper,
    kaneel en evt. kruidnagel. Breek de eieren in een schaaltje, voeg ze toe aan
    het groentemegsel en kook het tot ze gebonden/opgenomen door de andere
    ingredienten. Doe de vulling in de halve broodjes en dien ze warm op.


-------------------------------------------------------------------------
3
Gesmoorde mosselen
    (6 personen)

    Dit werd geserveerd op een van de dagen dat vis mocht worden gegeten.
    In voorname families werden tien of vijftien van dit soort gerechten
    opgediend aan de heer en zijn gasten

    2 kg verse mosselen
    2 eetlepels olijfolie
    1 flinke ui, zeer fijn gehakt
    2 preitjes (look), zeer fijn gesneden
    40 gr. gemalen amandelen
    2 eetlepels gemalen gember
    1/2 theelepel: gemalen saffraan, kruidnagels, zout  (kardemom)
    4 korrels zwarte peper
    450 ml. melk
    1 eetlepel witte wijnazijn

    Maak de mosselen goed schoon en verwijder alle mosselen die niet sluiten
    als u erop tikt. Breng 5 cm. water aan de kook in een flinke pan met een
    paar schijfjes citroen en 150 ml. witte wijn. Doe de mosselen in de pan,
    zet de pan op hoog vuur met gesloten deksel en kook het geheel 3 a 4 minuten
    tot alle mosselen geopend zijn. Verwijder de mosselen die gesloten blijven.

    Laat de overgebleven mosselen uitlekken, verwijder de schelpen en bewaar het nat.

    Smoor de ui intussen zachtjes in de olie tot hij glazig is. Doe de prei met
    de amandelen, kruiden en de melk in een pan en breng het aan de kook.
    Laat het een paar minuten sudderen en voeg dan de gepelde* mosselen rn de uien toe.
    Laat het mengsel weer een paar minuten sudderen. Voeg wijnazijn en sndere kruiden
    naar smaak toe. Verdun de saus zo nodig met wat overgebleven kooknat.

    Dien de soep/mengsel op in kommen met voldoende vers bruin brood.


------------------------------------------------------------------------------- 
4
Aan het spit geroosterd vlees met Egerdouce saus.
    (6 personen)


    In het middeleeuwse Europa werden de spitten gedraaid door keukenjongens
    en ze werden regelmatig bestrooid met specerijen en kruiden. Omdat vorken
    vrijwel onbekend waren werden de schijven vlees uit de hand gegeten;
    vergezeld van sauzen. Deze werden opgediend in kleine schalen / schotels
    op de tafel. De eters dipten alleen de pink van de rechterhand in de saus
    en smeerden die op hun vlees. Deze vinger werd nooit afgelikt, maar zorgvuldig
    afgeveegd aan een servet, uit respect voor de disgenoten.

    In de moderne keuken kan iedere soort vlees worden gebruikt.
    Maar het moet goed gekruid zijn als de Egerdouce saus geserveerd wordt.
    Bak het aan een spit, op de barbecue, of op een rooster in de oven.
    Besprenkel het licht met gemalen, gemmengde kruiden en een beetje specerijen
    naar keuze.


---------------------------------
   

    Egerdouce Sauce

     2 eetlepels olijfolie
    75 gr. uien, grof gehakt
    25 gr. rozijnen en 25 gr. krenten
    1/2 theelepel elk zout, gemalen gember, foelie en saffraan
    1/4 theelepel kruidnagels
    120 ml. droge witte wijn
    90 ml. wijnazijn
    25 gram suiker
    75 gr. volkorenmeel of broodkruim

    Smoor de uien zachtjes in de olie tot ze gaar zijn. Voeg de vruchten
    en specerijen toe en kook het nog enkle minuten. Los de suiker op in
    de wijn en de azijn en voeg dit toe aan de uien en vruchten.
    Laat het geheel 15 minuten sudderen. Doe het mengsel weer in de pan en
     voeg het broodkruim en voldoende water toe om een dikke. maar niet
    klonterende saus te maken. Voeg de kruiden toe en dien het op met
    het geroosterde vlees.


---------------------------------------------------------------------------

Een salade
    (6 personen)

    Salades, meestal van groenten en kruiden, waren gedurende de gehele
    Middeleeuwen erg populair. Ze werden meestal opgediend als voorgerecht,
    maar soms ook na de hoofdmaaaltijd.
    De samenstelling hing af van het seizoen en van wat er in de kok zijn
    tuin groeide. Dus u hebt alle vrijheid dit basisrecept naar persoonlijke
    voorkeur aan te passen. Maar gebruik nooit gedroogde kruiden.

    2 bosjes waterkers
    2 x mosterdplant en tuinkers (sterrekers)
            (deze 2 alleen vormen ook al salade)
    1 fijngesnipperd preitje (look)
    6 lente-uitjes of sjallotjes, fijngesnipperd
    1 venkel, in kleine luciferstokjes
    1 flinke handvol verse peterselie, in fijne twijgjes
    blaadjes van 1 jong twijgje rozemarijn
    blaadjes van 5 twijgjes verse munt, een beetje gehakt
    6 verse salieblaadjes, een beetje gehakt
    blaadjes van 2 takjes tijm
    enkele blaadjes van ander kruiden die u hebt
        (gebruik niet te veel van sterk smakende soorten)
    zeezout en versgemalen zwarte peper
    2-3 eetlepels wijnazijn
    4-5 eetlepels olijfolie

    Was alles zorgvuldig en droog het goed. Meng ze in een grote kom,
    strooi er wat zout en peper over. Meng het nogmaals. Meng dan de olie
    met de azijnen sprenkel het over de salade vlak voor het opdienen.

 
--------------------------------------------------------------------------------

Een Rosy Almond creme

    6 personen

    600 ml melk
    50 gr gemalen amandelen
    40 gr rijstmeel
    1/2 theelepel kaneelpoeder
    1 theelepel gemberpoeder
    350 gr. bessen of krenten
    1-2 eetlepels wijnazijn (wees niet bang, de oude Romeinen gebruikten
                        het al om de fruitaroma te versterken).

    Doe de melk in een pan met de gemalen amandelen, breng het aan de kook
    en laat het 3 minuten sudderen. Meng intussen de kruiden met het rijstmeel
    in een pan en voeg geleidelijk de hete amandelmelk toe. Kook ze samen tot
    het mengsel wat dikker wordt.
    Voeg dan het fruit en de suiker toe. Kook alles langzaam tot de suiker smelt
    en het fruit wil mengen. Het moet niet helemaal één geheel worden, maar wel
    wat moezig worden. Voeg de wijnazijn naar smaak toe en schep het desert in glazen.
    Laat het een aantal uren afkoelen, maar serveer het op kamertemperatuur.
    Garneer het geheel met een paar bessen of gekristalliseerd rose of violet bloemblaadjes
.


_______________________________________________

            En als toetje:vertaalfragmenten van Karel ende Elegast, Beatrijs, Van den vos Reynaerde en Klucht van de koe.  
.
 
v
      Karel ende Elegast (1 - 49)
      Beatrijs (1 - 36)

      Van den Vos Reynaerde (1 - 40)

      Klucht van de koe (133 - 215)
v
xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx
         Karel ende Elegast

       Fraeye historie ende al waer
       Mach ic u tellen, hoort naer.
       Het was op enen avontstonde
       Dat karel slapen begonde
 5    Tengelem op den rijn.
       Dlant was alle gader sijn.
       Hi was keyser ende coninc mede.
       Hoort hier wonder ende waerhede
       Wat den coninc daer ghevel,
10    Dat weten noch die menige wel -
       Tenghelem al daer hi lach,
       Ende waende op den anderen dach
       Crone draghen ende houden hof,
       Om te meerderen sinen lof.
15   Daer die coninc lach ende sliep,
      Een heilich engel aen hem riep,
      So dat die coninc ontbrac
      Biden woerden die dengel sprac.
      Ende seyde: "Staet op edel man.
20  Doet haestelic u cleeder an.
     Wapent u ende vaert stelen.
     God die hiet mi u bevelen,
     Die in hemelrike is here.
     Of ghi verliest lijf ende eere.
25  En steeldi in deser nacht niet,
     So is u evel geschiet.
     Ghi sulter omme sterven
     Ende uwes levens derven,
     Eer emmermeer scheit dit hof.
30  Nu verwacht u daer of
     Vaert stelen of ghi wilt.
     Neemt uwen speere ende uwen schilt.
     Wapent u, sit op u paert
     Haestelic ende niet en spaert."
35  Dit verhoorde die coninc.
    Het docht hem een vreemde dinc,
    Want hi daer niemant en sach,
    Wat dat roepen bedieden mach,
    Hi waendet slapende hebben gehoort,
40 En de hilt hem niet an dat woert,
    Ende quam in ander ghedochte.
    Die daer die boetscap brochte,
    Dengel die van gode quam,
    Sprac ten coninc als die was gram:
45  "Staet op karel ende vaert stelen.
    God hiet mi u bevelen
    Ende ontbiedet u te voren.
    Anders hebdi u lijf verloren."
    Met dien woerde sweech hi.



 X        

 
 Karel en Elegast

Een mooi en waar gebeurd verhaal kan ik u vertellen, luister maar.
   
Op een avond ging Karel de Grote slapen in
Ingelheim aan de Rijn. Al het land in de omtrek was van hem, want hij was keizer èn koning. Luister nu naar de wonderlijke, maar ware gebeurtenissen die de koning daar in Ingelheim overkwamen. Velen zullen het zich nog wel herinneren.

 
   Hij wilde er een hofdag houden tot meerdere glorie van zijn keizerschap.
Toen de koning lag te slapen, werd hij aangeroepen door een engel, zodat hij wakker schrok door wat de engel zei.
    'Sta op, heer,' sprak de engel,
'u moet u snel aankleden, wapenen en uit stelen gaan. Anders verliest u uw leven en uw waardigheid! God heeft mij opgedragen u dit te bevelen. Als u vannacht niet gaat stelen, zal het slecht met u aflopen: u zult dan sterven nog voor de hofdag voorbij is. Neem deze waarschuwing ter harte en ga uit stelen. Pak uw schild en lans, en bestijg snel uw paard!'
  De koning hoorde het wel, maar omdat hij niemand zag, begreep hij niet wat de oproep te beteken had. Hij dacht dat hij het had gedroomd en trok zich er niets van aan. Zijn gedachten dwaalden af naar iets anders.
    De engel die het bericht gebracht had, sprak nu boos:
  'Sta op, Karel, en ga uit stelen, anders verliest u uw leven. God heeft mij opgedragen dit bevel aan u over te brengen. Hij roept u met klem op Hem te gehoorzamen.'
    Na deze woorden zweeg de engel.






     


       Beatrijs


     Van dichten comt mi cleine bate.
     Die liede raden mi dat ict late
     Ende minen sin niet en vertare.
     Maer om die doghet van hare
 
5 Die moeder ende maghet es bleven,
     Hebbic een scone mieracle op heven,
     Die God sonder twivel toghede
     Marien teren, dien soghede.
     Ic wille beghinnen van ere nonnen
10
Een ghedichte. God moet mi onnen
     Dat ic die poente moet wel geraken
     Ende een goet ende daer af maken
     Volcomelijc na die waerheide
     Als mi broeder Ghijsbrecht seide,
15 Een begheven willemijn.

     Hi vant in de boeke sijn;
     Hi was een out ghedaghet man.
     Die nonne daer ic af began,
     Was hovesche ende subtijl van zeden;
20 Men vint ghene noch heden
     Die haer ghelijct, ic wane,
     Van zeden ende van ghedane.
     Dat ic prisede hare lede,
     Sonderlinghe haer scoenhede,
25 Dat een dinc dat niet en dochte.
     Ic wille u segghen van wat ambochte
     Si plach te wesen langhen tijt
     Int cloester daer si droech abijt:
     Costersse was si daer,
30 Dat seggic u al over waer,
     Sine was lat no traghe
     No bi nachte, no bi daghe.
     Si was snel te haren werke;

     Si plach te ludene, in die kerke,
35 Si ghereide tlicht ende ornament
     Ende dede op staen alt covent.





 
xx
       Beatrijs

Schrijven levert me slechts weinig op. De mensen raden me aan het te laten en mijn geest niet te pijnigen. Maar om de goedheid te laten zien van de vrouw die moeder werd, maar maagd bleef, begin ik toch aan een prachtig verhaal over een wonder. God liet het ongetwijfeld gebeuren ter ere van Maria, die Hem de borst gaf.
   Ik ga u over een non vertellen. Moge God mij toestaan dat ik het verhaal goed weergeef, precies zoals monnik Gijsbrecht van de Wilhelmietenorde het mij waarheidsgetrouw vertelde. Hij - een bejaard man - vond het in een van zijn boeken.
   De non die ik net noemde, was zeer beschaafd en welgemanierd. Naar mijn mening is er tegenwoordig niemand meer te vinden die, wat karakter en uiterlijk betreft, haar gelijke is. Het zou ongepast zijn als ik haar lichaam, en zeker de schoonheid ervan, zou loven.
   Ik zal u vertellen wat gedurende lange tijd haar taak was in het klooster: ze was kosteres. Ik verzeker u dat ze nooit lui was; ze werkte snel en ijverig. Ze luidde de kerkklok, zorgde voor de verlichting en voor de benodigheden voor de mis, en ze wekte alle kloosterlingen.



   




       Van den Vos Reynaerde

         Willem, die Madocke maecte,
         Daer hi dicken omme waecte,
         Hem vernoyde so haerde
         Dat die avonture van Reynaerde
   5    In dietsche was onvolmaket bleven,
         Die Arnout niet hevet vulscreven,
         Dat hi die vijte van Reynaerde dede soucken
         Ende hise na den walschen boucken
         In dietsche dus hevet begonnen.
 10     God moete ons ziere hulpen jonnen!
          Nu keert hem daer toe mijn zin,
          Dat ic bidde in dit begin
          Beede den dorpren enten doren,
          Ofte si commen daer si horen
    15  Dese rijme ende dese woort,
          Die hem onnutte sijn ghehoort,
          Dat sise laten onbescaven:
          Te vele slachten si den raven,
          Die emmer es al even malsch.
    20  Si maken sulke rijme valsch,
         Daer si niet meer of ne weten
         Dan ic doe hoe datsi heeten,
         Die nu in Babilonien leven.
         Daden si wel, si soudens begheven.
    25 Dat en segghic niet dor minen wille:
         Mijns dichtens ware een ghestille,
         Ne hads mi eene niet ghebeden,

         Die in groeter hovesscheden
         Gherne keert hare saken.
    30 Soe bat mi, dat ic soude maken
        Dese avontuere van Reynaerde.
        Al begripic die grongaerde
        Ende die dorpren ende die doren,
        Ic wille dat die ghene horen
    35 Die gherne pleghen der eeren
         Ende haren zin daer toe keeren
        Datsi leven hoofschelike,
        Sijn si arem, sijn si rike,
        Diet verstaen met goeden sinne.

    40 Nu hoert, hoe ic hier beghinne.
 
xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx
       Bredero, KLUCHT VAN DE KOE
XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX
       Een optrecker singende uyt

       Mocht een man zyn Wijf verkoopen,
       Gelijckmen Koeyen en Paerden doen,
135 Daer souwer so mennich te marckt loopen,
       Daermen’t nou niet op vermoen.
       Gans lyden, hoe is een Man oock van een Wijf gequelt!
       Een heelen dagh leydse myn so verhayd an ’t hoofd en leldt,
       Om dat ick gisteren iuyst eens tot elven toe uyt,, was,
 140 Daarom seydse dat ick een rabauwt, en een guyt,, was,
        Een vleys-dief, een quist-goed, een spil-penningh,
                                         een door-slach, een snap-op, een gild.
    Ist dan wongder dat een man somtyts raakt op het wilt?
    Daerom spiegelt u vry, ghy vryers, eer u dit geschiet:
    Hay, banckt altoos, en trouwt van iou leven niet.
 145    Myn wijf doet anders niet dan knorren, dan kyven, dan pruylen,
    Dan rasen, dan klagen, dan suchten, dan kermen, dan huylen.
    O ’t is sulcken suur-muyl! sy het niet een soete beet an haer hiele lijf!
    Gy sacht van iou lieffelijcke leven dagen niet sulcken lielijcken wijf,
    S’ is lang-geneust, en dick-gelipt, met losse hangende wangen;
 150    Men souwse op een drie-sprong setten om jonge Nickers te vangen.
    Gy souwt sucken Venisje niet vinden, al socht gy de stadt,,deur,
    Gants lichters, hoe koom ick an dit ansicht hangter een mat,,veur.
    O sy is so vriendelijck, as een arm vol Katten,
    Of as een oor-wurm, waraftich, ick segh iou datte.
 155    Ick wouwer flusjes wat snobbelen, wat soenen, wat sabben,   
    Maer dese smaelijcke meer, deed niet dan byten, smyten, en krabben.
    Ick seyden: Hoe gy wilt moer, wil gy niet, en ander wil gaeren,
    En mit so snapten ick uyten huys, eens-klaps inde Travaeren,

   
En nou so loop ick so wat slingeren as een die half dol,, is;
 160    Ic wil niet ophouwen voor de buydel leeg of voor myn gat vol,, is.
    Dat is nou al even veul: Ick moet nou wat uyt hoye,, varen,

   
O bloet hier omtrent wonen sulcke overdadige moye,, snaren.
    Ick sach hier korteling veel vreemde haren, hier int swarte paert,
    Daer moet ick nou en reys gaen, dat is toch myn ouwe waert.
 165    Laet sien, hier isset. Hou, hou!
    De waaerdin, Giertje van Vriesland

                    Wie klopt daer?
    d’Op-trecker

                          
  Ick ben ’t Giertje.
    Doet open Moer, selje kijnt, ay Liefste tapt myn en biertje.
    Giertje
    De Klock is elf uren, wy tappen so laet niet, ’t is nacht.
    d’Op-trecker
    Nou myn Suycker-mongktje doet op, nou schaepje, ick heb de wacht,
    Ick koom hier om een kanne-bier voor de Cordegaarde te halen.
 170    Nou, nou laetmen in, hoe staeje so, ick selje wel betalen,
    Nou Vriendelijckheyt doet op. genaevent Beckje.
    Giertje
                                Ast is brief.
    Hoe staet dese Mallert so. Heer wat sinje een malle pis-dief.
    Hed, hoe rijdt myn dese man, nou staet stil, wat duysent schangden!
    Waer mien gy dat gy bint? nou, segh ick, houwt iou hangden.
 175    Nou Ioosje wilje Bier of Wijn hebben so seghet plat,, uyt,

    Of wil gy niet drincken, so gaet oock strax weer het gat,, uyt.
  
  d’Op-trecker
    Wel hey, mien gyt? hoe nou, ick loof niet dat gy sonder roy,, bint,
    As gy vriendelijck siet, so duncktmen dat gy wel eens so moy,, bint,
    Haeltmen eens van ’t ouwe geloof.
    Giertje
                Wat is dat?
    d’Op-trecker

 
                               Delfs.
 180    Wel binje daer alree?
    Giertje
                        Ick liep en taptent selfs.
    Wel, a vous, ick brengie een reys een Bier om Ioossie.
    d’Op-trecker
    Drinckt uyt dat soopje, also moer, wat so, myn quirom-doosie.
    Giertje
    Wat dunckt u Roossie,, klaerden ick dat niet met een snaers?
    Nou geeft myn een soen, Ian Soete-vaar! wat so, veeght dat kijnt    zyn naers.
 185     Heer wat bin gy een moy Man! maar wat heb gy een sacht haertje!
    Nou, hoe sit dese droogert so en leppert met dit staertje.

    Nou wilje drincken, so drinckt, laet de Waerdin haer ploegh,, gaen.
    Gy moet lustich slempen so gy wilt inde kroegh,, gaen:
    Die wil wil hebben, die moet wil doen, en geen geld,, sparen.
    d’Op-trecker

 
190     Nou goelicke Giertje, ick selt so louter as een held,, klaren.
    Swick.
    Giertje
                Swack, een half bier in iou sack.
    d’Op-trecker
    Neen, al propertiens Moer, alle dingen met gemack.
    Ick wil al myn goed niet teves verdoen, wat meugh gy dencken?
    Dan wil
gy myn een vriendschap doen, ick selje spelde-gelt schencken.
 195    Maer. al even wel, waer is iou Man?

  
  Giertje
                    Maer die mocht hier niet langer bancken.
    Hy is na Oost-Ingie, Heyn is ’t Zee, de Botter geld twie blancken.
    d’Op-trecker
    Wel wies Kijnt is ditte?
    
Giertje
                        Maer Schele Iut, die is de Moer,
    En de Vaar dat was hier Marten de Waterlandse Boer.
    Se het hielle rijcke Vrienden, hoe wel sy schoon uyt krollen gaet,
 200     Ia vande beste vande stadt, kijnts, sy wonen inde Warmoes-straet:
    Tieuwis de Siep-sier dat ’s heur Oom, en Melis Klaesz onze Schepen.
    Dan trouwen ’t is niet nieuws, heur Moer had oock sukke grepen,
    En heur Vaar was ooc vry wat snoeps, en heur breur hettet al verpult,
    Dus ast al eseyt is, ’t is ien weynich het Geslachts schult.
 205    ’t Is al ien out Soldaet, s’ is met de Prins over de Maas ekomen,
    Het was ien hiel rijck, rijck Monsieur die heur maaghdom het enomen.
    Wat, sy het so veel mannen dat syse niet tellen,, kan,
    Sy houwt sukken stoet Vryers, en iong Gesellen,, an:
    Daer is doove Ias, en mancke Klaas, en droncke Piet,
 210     En Kees Iong-Klaas, Kees Dierten Seun, wel hy, ken gy hem niet?

    Die Vlas-kooper opten dijck, die pleechter lang met te verkeeren,
    Hy konder op ien nachje wel dartich guldens me verteeren,
    Maar wat wast? zyn Ouwers kregen so haest de lucht,, t’ huys,
    En die brochten hem moeytjes hier after in ’t tucht,,huys.
 215     Wel Ioosje slaep gy? hoe nou? op.



xxxxxxx
     Van den Vos Reynaerde

Willem, die ten koste van veel nachtrust de Madocke schreef, betreurde het bijzonder dat Aernout het verhaal over Reinaert niet had afgemaakt en dat het in het Nederlands onvoltooid was gebleven. Hij zocht Reinaerts geschiedenis op en begon naar het voorbeeld van de Franse boeken als volgt in het het Nederlands. Moge God ons terzijde staan.
    Om te beginnen wil ik de botterikken en de dwazen op het hart drukken dit verhaal, dat toch niet aan hen besteed is, in zijn waarde te laten als ze het ergens mochten horen. Zij lijken sprekend op een raaf, die is immers net zo zelfingenomen. Zij kraken veel gedichten af waarvan ze niet meer verstand hebben dan ik van de namen van hen die nu in Babylonië wonen. Ze zouden er goed aan doen hiermee op te houden.
    Ik zeg dat niet uit eigenbelang. Ik maak dit verhaal alleen maar omdat een dame, die zeer aan hoofse omgng vormen is gehecht, mij dat vroeg. Zij verzocht mij deze geschiedenis over Reinaert op te schrijven. De kritikasters, botterikken en dwazen wijs ik af, maar ik wil graag dat al diegenen - arm of rijk - het horen die eervol en hoofs willen leven en die met aandacht willen luisteren.
Wel, luister nu hoe ik mijn verhaal begin!

 


x
xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx

       Bredero, De klucht van de koe

    Een optrekker (komt zingend het toneel op)
  
  Als een man zijn vrouw zou mogen verkopen
    Zoals men met koeien en paarden doet,
 135    Dan zouden er velen naar de markt lopen
    Van wie men het niet meteen vermoedt.
    Lieve hemel, een vrouw is het ergste wat een man kan gebeuren.
     De hele dag ligt ze me zo verdomd aan mijn kop te zeuren.
    Gisteren was ik ook eens een keer tot elf uur uit,
 140     En nu zegt ze dat ik een smeerlap ben en een schavuit.
    Een vrouwenjager, een doordraaier, een opmaker, een verkwister,
                            een verspiller die goede sier maakt.
    Is het dan zo vreemd dat een man zo nu en dan aan de zwier raakt?
    Daarom, vrijgezellen, bezin je eerst wel even:
    Vooruit, maak plezier, en trouw nooit van je leven!
 145    Mijn vrouw doet anders niet dan knorren, kijven en pruilen,
    Dan schreeuwen, klagen, zuchten, kermen en huilen.
    O, ’t is zo’n zuurpruim! Er zit geen lekker hapje aan haar lijf;
    Je zag van je levensdagen nog nooit zo’n lelijk wijf.
    Ze is lang van neus, dik van lip, en heeft slappe, hangende wangen,
 150    Je zou ze op een driesprong zetten om jonge duivels mee te vangen.
    Nergens zul je zo’n schoonheid vinden, al zocht je de hele stad door.
    Verdraaid, hoe kom ik aan zo’n portret, het liefst hing ik er een mat voor.   
     O, ze is zo vriendelijk als een blazende kat;
    Of als een oorwurm, waarachtig, ik verzeker je dat.
 155    Ik wou haar zo net even zoenen, even knuffelen, even met haar stoeien gaan.       
      Maar die gemene feeks deed anders niet dan bijten, krabben en slaan.
    Ik zei: ‘Zoals je wilt, vrouw, als jij niet wilt, zijn er anderen genoeg.’
    En meteen glipte ik het huis uit, rechtstreeks naar de kroeg.
    Nu loop ik maar wat te slingeren als iemand die half zat is.
 160    Ik stop niet voor mijn beurs leeg of mijn lijf vol gerstenat is.
    Maar genoeg daarover: ik moet me nu maar eens aan de vrouwtjes wijden.
     O kerel, hier in de buurt wonen toch zulke geweldig mooie meiden!
    Ik zag laatst veel onbekende vrouwen, hier in ’t Zwarte Paard;
    Daar moest ik maar eens heen, tenslotte ken ik er de waard.
165    Eens even kijken . . . Ja, hier is ’t . . . Hé, hallo!
    De waardin, Giertje van Friesland
                        Wie klopt daar?
    De optrekker
                                Ik ben het Giertje.
    Doe open, meid. Asjeblieft, mijn kind. Toe schat, tap me een biertje.
    Giertje
    De klok wijst elf uur, wij tappen zo laat niet meer. ’t Is nacht.
    De optrekker
    Toe, mijn suikerbekje, doe open. Toe nou, schaapje, ik loop wacht.
    Ik kom hier een kan bier voor de nachtwakers halen.
 170    Vooruit, laat me nu binnen. Wat treuzel je toch, ik zal je goed betalen.
    Toe, schattebout, doe open. . . .   Goedenavond, snoetje.
    Giertje
                            Nu, toe dan maar, rare kwast.
    Zie die malloot nu eens staan. Kerel, wat ben je toch een vreemde gast.
    God, wat is die man handtastelijk. Houd op, het is een schande!
    Waar denk je dat je bent? Toe, zeg ik, houd op, weg met je handen.
 175    Wel, Joosje, wil je bier of wijn? Zeg het nu zonder gezeur.
  
  Of wil je niets drinken. Verdwijn dan maar meteen weer door de deur.
    De optrekker
    Nou zeg, meen je dat echt? Ach nee, dat zeg je vast voor de grap.
    Als je vriendelijk kijkt, ben je volgens mij dubbel zo knap.
    Breng me eens een ouderwets degelijk biertje.
    Giertje
                    Wat is dat?
    De optrekker
                                Delfts bier!
   180    Wat, ben je nu al terug?

    Giertje
                Ja, ik heb het snel even zelf getapt. Hier!
    Wel, proost, ik drink op je gezondheid, Joosje.
    De optrekker
    Drink leeg die kan! Vooruit, meid. Goed zo, mijn boterdoosje!
    Giertje
    Sloeg ik die niet mooi achterover, mijn duifje, wat zeg je daarvan?

 
   Toe, geef me een zoen, Jan Zoetelief. Vooruit, drink leeg die kan!
 185    Kerel, wat ben jij een knappe vent! Zeg, wat heb je een zachte lokken!
[terzijde]
  Mens, wat drinkt die droogpruim zijn restje bier met kleine slokken!
    Vooruit, als je wilt drinken, drink dan! De waardin moet ook worden beloond.
    Je moet wel een beetje behoorlijk zuipen als je je in de kroeg vertoont.
    Wie plezier wil hebben, moet plezier schenken en niet zuinig zijn met geld.
  De optrekker

 
190    Wel, lieve Giertje, ik zal het naar binnen gieten als een held. 
    Daar gaat ie!
    Giertje
                Hopla, een halve kan bier in je pens.
    De optrekker
    Nee, kalmpjes aan, meid, dat is beter voor een mens.
    Ik wil niet al mijn geld ineens verbrassen, wat zullen we nu beleven?
    Maar als je lief voor me bent, zal ik je geld voor een kadootje geven.
 195    Maar tussen haakjes, waar is je man?
    Giertje
                        Die is weg, hij moest onderduiken;
    Hij is naar Oost-Indië. De baas is op zee, dus kan ik wel wat geld
gebruiken.
    De optrekker
    Zeg, van wie is dit een kind?
    Giertje
                        Wel, Schele Jut heet haar moer,
    En haar vader is Marten, je weet wel, die Waterlandse boer.
    Ze heeft hele rijke familie, hoewel ze graag uit vrijen gaat.
 200    Ja, ze komt uit de voornaamste kringen, ze wonen in de Warmoesstraat;

 
   Teeuwis de zeepzieder is haar oom, evenals Melis Klaesz, onze schepen.
    ’t Is trouwens niks nieuws: haar moeder had het ook niet op kuisheid begrepen,
    En haar vader kon er ook wat van, en haar broer heeft al zijn geld verbrast;
    Dus welbeschouwd doet ze alleen wat bij haar familie past .

 205    Ze zit al een tijdje in het vak, ze is haar onschuld al een poosje kwijt.
    Het was een heel rijk heer, die haar van haar maagdelijkeid heeft bevrijd.
    Ze gaat met zoveel mannen om dat zij ze niet meer kan tellen,
    Haar vrijers zou je in een lange stoet op kunnen stellen.
    Zo is er dove Jas, en manke Klaas, en dronken Piet,

 
210    En Kees Jong-Klaas, Kees Dierten Zoon, zeg, ken je die niet?
    De vlashandelaar van de Nieuwe Dijk is lang met haar omgegaan,
    Hij kon in een nacht wel dertig gulden met haar stukslaan.
    Maar wat gebeurde er? Zodra zijn ouders het hebben gemerkt
    Hebben ze hem keurig netjes het tuchthuis ingewerkt.
 215    Zeg, Joosje, slaap je?  Wat krijgen we nu? Word wakker!